Iedereen heeft grenzen. We hebben allemaal wel eens moeite ze te herkennen en soms óntkennen we ze liever, maar ze zijn er wel. En iedereen heeft evenveel grenzen, ze liggen alleen voor ieder van ons op een specifieke plaats. De grens van je lichamelijke capaciteiten, van je bevattingsvermogen, van je incasseringsvermogen - allemaal dingen die deel uitmaken van wat jou uniek maakt.
Onhandig als we ze vinden, is er toch veel dat je met grenzen kunt doen. Je kunt ze bijvoorbeeld aangeven, stellen, verleggen, respecteren of overschrijden. Die laatste twee zijn ook uitermate belangrijk met betrekking tot de grenzen van andere mensen waar je mee omgaat. Andermans grenzen waar je mee te maken krijgt, zoals de grens aan fysieke of emotionele intimiteit, zijn in wezen ook grenzen voor jezelf. Ditmaal geen grens aan wat je kunt doen of kunt verdragen, maar de grens aan hoever je mag gaan. Maar zowel bij je eigen grenzen als die van een ander is de moeilijkheid: die grenzen te
kennen. Het is een kwestie van aftasten waarbij je ze soms zult overschrijden, maar dan heb je ze wél meteen duidelijk gelokaliseerd.
Het komt maar al te vaak voor dat we onze werkelijke grenzen helemaal niet kennen, maar afgaan op zelf gefabriceerde lijnen waar we netjes binnen blijven: de grens aan je moed. Angst voor het onbekende of voor de consequenties van het overschrijden van je grenzen laten je bij een bepaald punt zeggen: tot hier en niet verder. En dat terwijl er dan nog een heel gebied binnen je bereik ligt, waar je simpelweg niet durft te komen! In dit geval kan het helpen wanneer je iemand in je omgeving hebt die je aanspoort of uitdaagt om je werkelijke grenzen te verkennen.
Grenzen zijn niet statisch, maar dynamisch. Dat maakt het juist zo moeilijk ze te kennen! Ze verschillen dus niet alleen per persoon, maar ook per moment. Waar jouw grenzen op het ene moment liggen, hoeft niet veel te zeggen over waar ze zich op een ander tijdstip bevinden. Zo vormen je huidige grenzen slechts een uitgangspunt voor je toekomstige grenzen. Dat kan zowel bemoedigend als deprimerend zijn, want het kan beide kanten op gaan. Via training kun je je grenzen steeds verder leggen, maar door verwaarlozing komen ze voortdurend dichterbij. Maar: ook aan het verleggen van je grenzen door training is weer een grens verbonden.
Het beeld dat ik heb bij het verleggen van grenzen, is dat van een kamer. Je kunt op de muren slaan, op de ramen rammelen, en proberen de deur in te beuken, terwijl je hardnekkig probeert je grenzen te verleggen. Óf je kunt je concentreren op de ruimte binnenín de kamer, en kijken wat je daar allemaal mee kunt doen. Aandacht is energie, en waar je aandacht aan geeft dat groeit. Richt je je aandacht op je grenzen, dan komen die steeds prominenter in beeld tot ze je dreigen te verstikken. Richt je echter je aandacht op je mogelijkheden, weet je ze te benutten en dus te ontwikkelen, dan komen er vanzelf meer bij.
Dat wil uiteraard niet zeggen dat je helemaal niet op je grenzen moet letten, want dat gaat ongetwijfeld ook fout. Maar er is ook iets makkelijks aan het hebben (en kénnen) van je grenzen, en dat is eigenlijk precies hetzelfde als wat we er zo vervelend aan vinden: ze beperken je mogelijkheden. Huh?

Ja, dat kunt je ook zien als een pluspunt. Met minder mogelijkheden kun je makkelijker je weg vinden – net zoals je minder snel verdwaalt op een weg met drie splitsingen dan op één met tien. Vertaald naar het leven betekent dit dat jouw grenzen een soort wegwijzers zijn die je leiden naar jouw levensdoel. Ik geloof namelijk dat ieder mens exact díe mogelijkheden en bijbehorende grenzen meekrijgt bij de geboorte die hem in staat stellen om zijn levensdoel te volbrengen, en dat is per definitie wat jou het gelukkigst maakt. Dus ik zou zeggen: vind die grenzen, en vind je geluk!